De verhuisdozen zijn leeggehaald, de spullen hebben een nieuwe plek gekregen. Vertwijfeld kijk ik in de laatste doos die ik leeghaalde. Geen Teddy. Waar is mijn oude knuffel? Ik weet zeker dat ik hem had ingepakt. Spullen Fief had ik op de doos geschreven. Ik haalde er van alles uit, maar niet mijn vertrouwde beer, de knuffel die ik vanaf mijn geboorte als steun en toeverlaat overal mee naar toe sleepte. Nou ja, tot ik naar school ging, want toen was het niet stoer meer om een knuffel mee te nemen.

Hij deelde nog wel elke nacht mijn bed. Hij hoorde mijn verdrietjes aan, luisterde naar mijn avontuurlijke verhalen of mijn gemopper omdat ik weer eens iets niet mocht van mijn ouders.

Hij verhuisde mee naar mijn studentenkamer, waar hij mijn tranen ving als ik weer een blauwtje had gelopen en was getuige van het geluk toen ik mijn man leerde kennen.


In de loop van de jaren werd zijn vacht steeds dunner, verloor hij een oog en begonnen de naden los te laten. Uit angst dat hij uit elkaar zou vallen, gaf ik hem een prominente plek op een plank in onze slaapkamer. Daar was hij getuige van de geboorte van onze kinderen, hoorde hij onze echtelijke ruzies aan en hoe we het daarna weer goedmaakten. Toen de kinderen het huis verlieten en wij kozen voor een kleinere woning, verhuisde hij vanzelfsprekend mee. Ik legde hem met zorg in de doos die ik labelde met Spullen Fief, dacht ik, maar nu twijfel ik aan mezelf. Waar kan hij in hemelsnaam zijn?


‘Wat kijk je bedenkelijk?’ vraagt mijn man vanuit de deuropening.

‘Ik ben Teddy kwijt.’ Mijn ogen schieten vol. ‘Ik weet zeker dat ik hem in deze doos had gestopt.’

De mondhoeken van mijn man krullen omhoog en met zijn vinger maakt hij het gebaar hem te volgen. Ik loop achter hem aan naar de kamer waar ik een pakje in bontgekleurd cadeaupapier zie liggen.

‘Voor mij?’

‘Een nieuw begin,’ zegt mijn man geheimzinnig.

Mijn hartslag schiet omhoog. ‘Je hebt Teddy toch niet …?’

Een rode waas verschijnt voor mijn ogen, hij ziet het gebeuren.

‘Nee, natuurlijk niet,’ zegt hij snel, ‘pak het maar uit.’

Ik scheur het papier open en mijn vertrouwde knuffel komt tevoorschijn. Opgelucht til ik hem op. Hij voelt steviger, zijn poten hangen niet meer los en hij kijkt me weer met twee ogen aan.


Ze streelt de hand van haar zoon, hij voelt nog warm. Het rijzen en dalen van zijn borstkas gaat vergezeld van een kakafonie van pieptonen uit de apparatuur langs zijn bed. In het begin werd ze er horendol van, nu is ze bang dat ze het gaat missen. Zolang ze tonen hoort, is hij nog bij haar. Nog even, nog even …


‘Mevrouw, meneer …?’

Ze knikken, het is tijd. Nog een laatste kus, een laatste knuffel. ‘Dag lieve schat, ik hou van je. Ik zal je missen.’ Ze zoekt troost in de armen van haar man.

Het bed wordt uit de kamer gereden.

‘Wat gebeurt er nu?’ Ze weet het wel, ze hebben het uitgelegd, maar op de een of andere manier wil ze het nog een keer horen.

‘Hij gaat naar de operatieafdeling waar zijn organen geoogst worden. Een van zijn nieren wordt hier getransplanteerd bij een jonge vrouw die al een tijd op de wachtlijst staat. Voor de andere organen hebben we een match gevonden elders in het land.’

Ooit zal de wetenschap dat hij andere levens heeft gered haar troost bieden, nu kan ze alleen maar huilen.


Al op jonge leeftijd had hij aangegeven dat hij zijn organen wilde doneren na zijn dood. Zodra het mocht had hij zich in laten schrijven in het donorregister. ‘Ze mogen alles van me hebben, mam,’ had hij vol overtuiging gezegd. Dat er al zo snel een beroep op zijn organen zou worden gedaan, hadden ze in hun ergste nachtmerries niet kunnen vermoeden. De aanblik van de twee ernstig kijkende politieagenten voor haar deur zou ze nooit meer van haar netvlies krijgen. Aangereden door een dronken automobilist. Hun leven zou nooit meer hetzelfde zijn.


De eerste dagen leefden ze tussen hoop en vrees. Al snel sloeg de balans door naar het laatste en moesten ze de moeilijkste keuze maken van hun leven.

Vijf uur later zit een man aan het bed van zijn vrouw. Hij streelt haar handen. De operatie is goed gegaan, vertelde haar arts. De urinezak aan haar bed loopt druppelsgewijs vol met een helder, geel vocht.


*****


Een onbekende donor gaf zijn vrouw een nieuwe kans op een normaal leven. Hij voelt een enorme opluchting en dankbaarheid. Tegelijkertijd beseft hij dat er ergens een familie is die gebukt gaat onder een enorm verdriet.

Ze opent haar ogen.

‘Hallo lieverd, het is goed gegaan. Rust maar lekker uit.’


Zullen we beginnen?’ Als ik niet zo zenuwachtig was, zou ik genieten van de knappe man die naast de operatietafel staat. Gisteren maakte ik al kennis met hem bij het preoperatief onderzoek. Volgens de verpleegkundige die me naar de operatieafdeling reed, is hij de knapste narcotiseur van het ziekenhuis. Hij mag er inderdaad wezen.

Zijn verschijning is niet de enige oorzaak van mijn torenhoge bloeddruk. Ik schijt zeven kleuren, niet alleen vanwege het laxeermiddel. Ik spreek mezelf moed in: het is een simpele ingreep, het gaat vaker goed dan niet, ze weten wat ze doen.


Met een vlotte beweging schuift hij de naald in mijn arm en sluit het infuus erop aan. Achter hem trekt een assistent vloeistof op uit een flacon. Dat zal het narcosemiddel zijn. Op commando tel ik terug van tien naar … Mijn lijf ontspant, mijn armen en benen worden zwaar. Mijn oogleden vallen dicht, maar waarom hoor ik alles nog? Ik voel hoe mijn buik wordt ontbloot en hoe ze het koele jodium over mijn huid smeren. Dat is vreemd: ik hoor dit niet te voelen. Mijn lijf is niet in beweging te krijgen en er komt geen geluid over mijn lippen. Wat gebeurt er?

Dan hoor ik de chirurg ‘scalpel’ zeggen en ik voel een scherpe pijn in mijn buik langzaam van links naar rechts. Nee! O mijn God, dit kan niet waar zijn! Dit is de nachtmerrie die ik had. Is er niemand die het in de gaten heeft? Help! Help me dan!

De monitor piept en een alarm klinkt. ‘Hartslag en bloeddruk lopen gevaarlijk op, dokter.’

‘Stop!!’ Stemmen klinken door elkaar; vragend, paniekerig, verwijtend. Ik vang flarden op: ‘… verkeerde flacon … nog niet onder zeil … net op tijd ... heeft geluk gehad.’ Zachte handen strelen mijn voorhoofd. ‘Mevrouw, gaat het?’