Opoffering

28 juli 2021

Ik stap op de tram naar het Waterloopplein. Het is druk en ik moet me staande houden aan een paal in het gangpad. Mijn rugzak is zwaar, net als de mentale bagage die ik meedraag. De relatie met mijn vrouw eindigde in een vechtscheiding: ik mocht de kinderen niet meer zien en eindigde op straat. 

Elke hoek en steeg die voorbijgaat, brengt herinneringen naar boven. Ik zie de portieken waarin ik in vochtige slaapzakken sliep. De tramp rijdt langs vuilniscontainers waaruit ik mijn eten bij elkaar schaarde. We passeren steegjes waar ik doorheen zwalkte, zo dronken als een Maleier, uitgekotst door de maatschappij.


‘De Heer is groot, de Heer is almachtig!’ riepen we vanmorgen vol overgave, handen in de lucht, onze gezichten gekeerd naar de man op het podium. Onze leider, mijn held. Mijn hart stroomde over bij het zien van zijn rijzige gestalte. Hij is onze rots. Als hij begint te spreken, hangt iedereen aan zijn lippen. 


Ik ken zijn echte naam niet, we noemen hem Leider.

Leider haalde me uit de goot. Letterlijk. Hij liet me kennismaken met de Heer, Hij die alle zonden vergeeft en ik voelde verlichting. Ik zag weer licht aan het eind van de tunnel op het moment dat ik in totale duisternis leefde. Hij bood me een kans mijn leven te beteren; ik nam het met beide handen aan.


De tram rijdt verder, op weg naar het licht. Langs de route zie ik hoe de goddelozen gewoon hun gang kunnen gaan. Ze leven in zonde en hebben overal maling aan. Ze hebben niet in de gaten hoe ze de wereld om zeep helpen. We moeten hun ogen openen, predikt Leider.
Hij spreekt uit ervaring; hij heeft gereisd en zag de wereld in zijn meest gruwelijk vorm. Regelmatig laat hij ons beelden van zijn reizen zien, hoe de goddelozen de wereld om zeep helpen. Hartverscheurend.
Ik bewonder zijn bescheidenheid. Zijn hele leven staat in dienst van de Heer. Zelden zag ik een onbaatzuchtiger man.

Leider heeft me bevorderd tot krijger, het grootste compliment dat je kunt krijgen. Ik mag daadwerkelijk iets doen tegen de goddelozen, wat een eer. Enkele familieleden zijn al uitgezonden naar diverse steden in de wereld. Leider berichtte ons dat zij succesvol waren op hun missie. Zij zullen eeuwig geroemd worden om hun heldendaad, hun namen met respect uitgesproken.


Nu valt mij de eer te beurt in hun voetsporen te treden, hier in Amsterdam. Mijn rugzak hangt oncomfortabel op mijn rug als ik uitstap. Volhouden, moedig ik mezelf aan. Leider zal trots op je zijn. Denk aan de eeuwige roem. Het vervult mijn hart dat ik eindelijk iets voor hem terug kan doen.
Het zweet gutst over mijn rug als ik het volle Waterloopplein oploop, mijn hart gaat tekeer. Ik ontwijk de blikken van de goddelozen, ik walg van ze. Zij hebben het zichzelf aangedaan en moeten gestraft worden. Alles voor de liefde van de Heer, alles voor de liefde van Leider. Ik sla een kruis en druk op de knop.

De rivier en de flamingo

22 juli 2021

Uitgenodigd door een vriendelijk, kabbelend beekje dobbert een roze flamingo op het rimpelige water. De rotsen in het water bewegen hem voort als een bal in een flipperkast. De zon brandt in zijn nek en op zijn ringvormige lijf. Vanaf de waterkant proberen kinderen hem met een stok dichterbij te halen, zonder succes. De flamingo is aan zijn reis begonnen.

Meanderend beweegt de dorstige stroom zich met zijn reisgezel door het dorre, gele landschap. De zon heeft hier vrij spel. Koeien aan de oever kijken vreemd op naar het roze geval met dito uitsteeksel. Een enkeling loeit ter begroeting, een andere doet van schrik een stap terug. De flamingo dobbert verder op de golven van zijn gastheer.

Een kudde schapenwolken schuift voor de zon. De hitte wordt minder, aangenamer. ‘Een verademing,’ klinkt het langs de kant. ‘Kijk, een roze flamingo,’ roept een jongen. Hij stapt door het water en mist de roze voorbijganger op een haar na.
Uitgegroeid tot rivier vervolgt het water zijn loop. De wolken stapelen zich op en de eerste druppels vallen. Het roze plastic koelt langzaam af. Nog altijd staat de roze hals rechtop in de wind.

De rivier voedt zich met de vallende regendruppels en zijn kracht neemt toe. De roze flamingo drijft met hem mee, omgeven door een gordijn van regen.
De omvang van de rivier blijft toenemen, hij is hongerig naar meer en wil niet in toom gehouden worden. Grenzen vervagen. Mensen slepen met man en macht zandzakken naar de zwakste plekken, de rivier lacht erom. Waar hij een opening vindt, neemt hij zijn kans waar.
Oppermachtig neemt hij bezit van het landschap. Zijn kracht is grenzeloos. Angstige kreten vanaf de daken deren hem niet. Meedogenloos sleept hij alles mee wat op zijn pad komt. Bulderend laat hij een spoor van vernieling achter en danst tussen de gebouwen. De flamingo swingt met hem mee, zijn roze lijf in schril contrast met de vieze, bruine modderstroom.

Na een wilde tocht komt de rivier tot rust, uitgestrekt en tevreden. Hij liet zien wie baas is en laat een onuitwisbare indruk achter. Zijn vreugde is van korte duur. De aarde neemt hem op en langzaam wordt het stil. De roze flamingo heeft een rustplaats gevonden in een boom met uitzicht op de ravage, zijn hals hangt slap. Twee kraaien strijken naast hem neer, waarschijnlijk jaloers op zijn roze kleur. De interesse verdwijnt snel; hij is niet eetbaar.

Regie in eigen hand

5 juli 2021

‘Weet je het zeker?’ vraagt mijn huisarts. Ik knik. Ja, ik weet het zeker. Ik zag de lijdensweg bij mijn man: de aftakeling van zijn geheugen, het verlies van zijn identiteit, de argwaan jegens iedereen die hem voorheen zo vertrouwd was en de blik in zijn ogen toen de zorg voor hem mij te zwaar werd.


Nu dezelfde diagnose bij mij is vastgesteld, heb ik het besluit genomen. Ik wil het leven met waardigheid en bij mijn volle - nou ja zo goed als volle - verstand vaarwel zeggen. Ik wil niet verworden tot een wezen dat haar eigen kinderen niet meer kent, haar eigen naam niet meer weet. Een vrouw die gedoemd is terug te gaan naar de luiertijd omdat ze haar ontlasting en urine niet meer op kan houden en zich bij elke hoek in de gang afvraagt wanneer ze weer thuis is.


Ik heb het nachthemd aangetrokken dat ik tijdens mijn huwelijksnacht ook aanhad. Fred vond het zo mooi. Het kostte me een rib uit mijn lijf; het was het meer dan waard. Her en der zitten mottengaatjes, maar ach, veel langer hoeft hij ook niet meer mee. Als een koningin lig ik in bed, voor de laatste keer.
Op het nachtkast liggen de spullen voor het infuus. De huisarts vraagt welke arm. Links, ben ik geneigd te zeggen. Voor het doneren van plasma gaf ik ook altijd mijn linkerarm.
‘Laten we eens gek doen,’ zeg ik met een knipoog, ‘neem mijn rechterarm, het maakt nu toch niet meer uit.’
Dat het voor de dokter geen alledaagse routine is, blijkt uit zijn licht bevende hand. Ik leg mijn gerimpelde hand op zijn arm. ‘Het is goed.’ De naald glijdt in het vat.


De kinderen zitten met betraande gezichten rond mijn bed, hun partners aan hun zijde. Van mijn vrienden en familie heb ik eerder afscheid genomen, de kleinkinderen wil ik er niet bij hebben. Laat ze mij herinneren zoals ik was: de sterke, goedlachse oma, altijd in voor een geintje. Geen geintjes deze keer.
Langzaam spuit de dokter het middel door de infuusnaald.

Op het voeteneind wordt een schim zichtbaar: mijn zus. Haar ogen zijn nog net zo prachtig groen als ik in mijn herinnering had, haar lach nog net zo stralend. Haar vertrouwde stem stelt me gerust en ik geef me over. 


Nadat de dokter mijn dood heeft vastgesteld, zal hij mijn kinderen een laatste groet van mij overhandigen.

Ik heb jullie gegeven wat ik had, geleerd wat ik wist, liefgehad zoals ik het meegekregen heb. Als dit niet voldoende was, leer er dan van en doe het beter. Ik heb mijn best gedaan.
XXX mama

In weer en wind

29 juni 2021

De wind rukt aan de lijn, eerst voorzichtig, plagend. Ik verstevig mijn grip, rug recht. Het weer slaat om, daar heb ik geen buienradar voor nodig. Bij het opzetten van de tent zei ik nog: ‘Gebruik stormharingen en een extra stormlijn. Ik ben niet geschikt voor het zware werk.’

Hoe laat zou het zijn? Een uur geleden lag de schaduw achter me, een uur of drie? Van schaduw is geen spoor meer te zien. De schattige schapenwolkjes zijn verdrongen door dreigende donderkoppen. Het lijkt alsof de avond vroeg is ingevallen. 


Het gerommel klinkt luider, de wind neemt toe en in het licht van een bliksemschicht zie ik mijn makkers zwoegen.

De vrouw kijkt in de deuropening van de tent met een angstig gezicht omhoog en weer op haar telefoon. ‘We zitten precies in de lijn van die rode vlekken, Sjaak.’ 

‘Maak je niet ongerust, het trekt wel over.’

 

Sjaak maakt een rondje om de tent. Hij controleert de lijnen, zet ze strakker waar nodig en geeft mijn makkers die niet diep genoeg staan een extra tik. Degene die de hoeken van de tent vasthebben, gaan het wel redden. Wij die de luifel op zijn plek houden, hebben het zwaar te verduren. De wind laat het doek opbollen en bij iedere windvlaag verliezen we houvast. ‘Wat zei ik nou, extra stormlijnen!’

Dan voel ik een druppel op mijn hoofd, gevold door nog een en nog een en …

 

Plassen ontstaan, zand wordt modder en ik krijg steeds meer speling. Met elke ruk aan de lijn wordt mijn lijf beetje bij beetje ontbloot. 

Linksvoor moet het ontgelden. Met een gil vliegt hij de lucht in, met een sierlijke boog landt hij op de caravan van de buurman. Sjaak vangt de wapperende lijn. 

‘Pak een stormharing,’ roep ik hem toe. Nee hoor, hij zet hem vast met een gewone haring. 

Ik krijg een tik op mijn kop, met weinig succes; de grond is zompig. Zo snel als ik er ingeslagen word, zo snel trekt de wind me er weer uit. Met alles wat ik heb, omklem ik de scheerlijn. 


Het noodweer bereikt zijn hoogtepunt. Sjaak en zijn vrouw pakken ieder een stok van de luifel en gooien hun gewicht in de strijd. De wind heeft het doek in zijn greep, de stokken schieten eronderuit en ik moet mijn meerdere erkennen.


Tot aan mijn dood

12 januari 2021

“Ik verklaar dat ik mijn hele leven, of het nu lang of kort is, u zal dienen.”

Mijn stem galmt in de grote kathedraal als ik deze plechtige belofte aan mijn volk doe. Had ik een keus? Ik denk het niet. Had ik kunnen weigeren? Net als mijn oom bij zijn broer deed en mijn zus opzadelen met deze taak? Niet echt, we leven in een tijd waarin ieder van ons zich in zijn lot schikt. Bovendien ligt het niet in mijn aard, daarvoor lijk ik te veel op mijn vader. Hij heeft me het plichtsbesef al vroeg bijgebracht.


Ik wist dat deze dag vroeg of laat zou komen, het had van mij ook wel iets later gemogen. Het zou me meer tijd gegeven hebben om van mijn jeugd te genieten, met mijn man een gezin te starten en mijn kinderen in hun belangrijkste levensfase groot te brengen zonder de druk van deze bijzondere baan. Mijn vader zou het me ongetwijfeld gegund hebben, ware het niet dat zijn einde veel te vroeg kwam.


De route naar de kathedraal stond vol zwaaiende en juichende mensen. De koets waarin we zaten, was allesbehalve comfortabel, maar ik bleef lachen en vriendelijk terugzwaaien. Mijn man slaat zich er tot dusver goed doorheen. Ook hij heeft zich moeten schikken in zijn lot. Dat gaat niet altijd zonder slag of stoot. We hebben onze meningsverschillen, net als ieder ander koppel. We droomden wat we zouden doen als … Het blijft bij dromen.


In deze imposante kerk voel ik letterlijk de druk van wat me te wachten staat. De jurk die ik aanheb, past er perfect bij: de met goud- en zilverdraad geborduurde stof, afgezet met parels, is erg zwaar en ik kan me er nauwelijks vrij in bewegen. Hij blijft ook steeds haken aan de loper in de kathedraal. De mantel doet daar nog een schepje bovenop. De lange sleep lijkt me bij elke stap terug te willen houden.

De kroon op mijn hoofd weegt voor mijn gevoel een ton. Twee kilo, zeiden ze me bij het oefenen. Vooral mijn hoofd niet buigen, was het advies, anders breekt mijn nek. Dat zou wel een heel voortijdig einde zijn. Nee, ik zal mijn hoofd rechthouden, zo lang als het mij gegeven is.

De Kameleon

8 juni 2021

Het is nu, eens kijken, ruim drie weken geleden sinds ik voor het eerst in het nieuws verscheen. Verdwenen, zeiden ze. Mijn tronie was te zien op nationale en internationale zenders. Niet eens zo’n verkeerde foto, al zeg ik het zelf. Ze twijfelden of ik nog leefde. Reken maar van yes, alive and kicking, hoewel het handiger zou zijn als ze geloofden dat ik het loodje had gelegd.  


Het bedreigen van die viroloog was een goede zet. Ik bracht mijn achtervolgers daarmee precies op het been waarop ik ze wilde hebben, het verkeerde. De media deed de rest: rechtsextremistische radicaal. Natuurlijk, dat zou ik ook zeggen als ik zo’n krantenmagnaat was. Dat verkoopt. Verrassend genoeg krijg ik steun uit een bepaalde hoek van de regering. Die lui sporen niet.

De klopjacht die nu al weken duurt, is een aanfluiting. Denken ze werkelijk dat ze me zullen vinden? Het Nationaal Park Hoge Kempen heb ik twee weken geleden al achter me gelaten. Dat die sukkels daar nog steeds aan het zoeken zijn, ongelooflijk. Dan onderschatten ze de training die ik heb gehad. Ik blonk uit in strategie en camouflage. Zet mij in welke omgeving dan ook en ik vind een manier om erin op te gaan.


In de weken voor mijn verdwijning trof ik de nodige voorbereidingen. Weekendjes weg met de jongens, noemde ik het als mijn vriendin ernaar vroeg. Zij was degene die me als vermist opgaf, het arme schaap. Ik wil haar graag vertellen dat het goed met me gaat, maar het is beter onder de radar te blijven. Ik heb dan ook niets bij me waarmee ze me kunnen traceren.  


Bij de grens van België naar Frankrijk was het even spannend. De Nederlandse vrachtwagenchauffeur die me een lift aanbood, raakte niet uitgepraat over een Belgische militair die ze aan het zoeken waren. De pruik en bril deden hun werk, maar bij het eerstvolgende tankstation over de grens leek het me veiliger een andere reisgenoot te zoeken. Een Duitse vertegenwoordiger bracht me tot aan Parijs.


Daar raakte ik aan de praat met een man die wel iets op mij leek. Hij liep de Camino de Santiago de Compostela en dat bracht me op een idee. Ik besloot met hem de route mee te lopen, low profile. Onderweg gaf hij allerhande tips en tricks. Erg handig is ook het speciale pelgrimspaspoort dat hij bij zich had. Met deze Le Credencial kun je goedkoop overnachten in pelgrimsherbergen, albergues genoemd.


In Blois moest ik afscheid van hem nemen. Hij stelde vragen over berichten die hij in een plaatselijk winkeltje had vernomen. In de krant die hij daar kocht, prijkte levensgroot mijn foto. De grote rugzak die ik bij me had, vond hij ineens verdacht en de blik waarmee hij me observeerde, zei genoeg. Met een beetje mazzel vinden ze zijn lichaam pas als ik lang en breed de oversteek naar Marokko heb gemaakt. Zijn identiteitspapieren en pelgrimspaspoort heb ik in mijn zak gestoken. Mijn baard geeft me een authentieke pelgrimslook en ik draag de scheiding op mijn hoofd zoals hij dat deed.


Ik kreeg een lift naar Poitiers, scheelde me toch een kleine dertig uur lopen. Op een omgevallen boom zit ik nu in het zonnetje en ik teken mijn verhaal op in het notitieboekje dat ik in een buurtsuper kocht. Wie schrijft, die blijft. Zou Spielberg interesse hebben of toch beter Ford Coppola?

Als in een sprookje

26 mei 2021

Voorbij de dikke eik volgen ze een smaller pad dat omhoogloopt. Het is hier dichter begroeid en Cas waant zich in de jungle. Als een volleerde Tarzan beweegt hij door het struikgewas, de weg vrijmakend voor zijn Jane. Plots hoort hij een gesmoorde gil achter zich en hij draait zich om. Zo even liep ze nog achter hem.

‘Eva? Eva!’

Hij volgt het spoor van gebroken takken en ziet dat Eva onderaan de heuvel is beland. Voorzichtig daalt hij af.

‘Heb je je bezeerd?’ Bezorgd knielt hij naast haar neer.

‘Nee, dat valt wel mee.’

Cas steekt zijn hand uit en helpt haar overeind. Eva klopt de bladeren en het zand van zich af. Hij kijkt om zich heen. Van waar kwamen ze ook alweer?

‘Die kant op.’ Het klinkt overtuigender dan hij is.

Ze lopen verder, de omgeving komt hem niet bekend voor.


Even later komen ze bij een sprookjesachtig lemen huisje, geschilderd in vrolijke kleuren. Uit de schoorsteen op het rieten dak kringelen rookpluimen omhoog.

‘Misschien kunnen we daar de weg vragen?’

Het knalgele tuinhekje opent piepend en over het kiezelpad lopen ze naar de felblauwe voordeur. Door het hartvormig raampje meent Cas iets te zien. De rood geruite gordijnen voor het raam ernaast bewegen licht door de zwaaiende staart van een zwarte kat.


Cas klopt op de deur.

Enkele ogenblikken later horen ze een sleutel omdraaien en een oude vrouw doet open, kromgebogen leunend op een stok. De groeven in haar gezicht verdiepen en een rij vergeelde tanden wordt zichtbaar.

‘Wat een verrassing. Het is al een tijdje geleden dat ik bezoekers kreeg.’

De krakerige stem klinkt vriendelijk, maar Cas voelt een rilling over zijn rug lopen.

‘Dag mevrouw, we zijn verdwaald. Kunt u ons de weg wijzen naar het dorp?

‘Ach lieve jongen, natuurlijk kan ik dat, maar willen jullie niet even binnenkomen om uit te rusten?’

Cas wil niet onbeleefd zijn. Hij pakt Eva’s hand en ze volgen de vrouw naar binnen. Hij moet bukken om door de deuropening te kunnen.


Leunend op haar stok schuifelt de vrouw naar de keuken, waar op een houtkachel een grote pot staat te pruttelen. Zijn knorrende maag laat weten dat ze langer onderweg zijn dan hij dacht.

Cas kijkt de ruimte rond. Op een plank naast de oven staan glazen potten met, naar hij vermoedt, allerlei kruiden. Naast de kachel ligt een stapel houtblokken, netjes opgestapeld. Zijn blik valt op iets wat voor de houtblokken ligt. Het lijkt een botje. Hij wil vooroverbukken om het op te rapen. De vrouw ziet het en met onverwachte behendigheid tikt ze het met haar stok opzij.

‘Die kat, sleept altijd van alles en nog wat mee naar binnen. Willen jullie misschien iets eten? Ik heb een heerlijk stoofpotje gemaakt en het brood is versgebakken.’

Kans om nee te zeggen, krijgen ze niet. De vrouw zet twee borden op tafel en loopt naar de pot op de kachel.


Dan hoort Cas haar zachtjes neuriën: ‘Knibbel, knabbel, knuisje …’

De meesters meesterlijk gecoverd

19 mei 2021

De eerste akkoorden op de akoestische gitaar worden gevolgd door de klanken van elektronische fluiten uit een mellotron. De rockzangeres zet het couplet in. Ondersteund door elektrische gitaren bouwt ze het nummer langzaam op, aangevuld door strijkers en leden van een popkoor. Hun zoetgevooisde stemmen vormen de tegenhanger van het rauwe, doorleefde stemgeluid van de zangeres, samen in perfecte harmonie.

Met gesloten ogen luister ik naar de muziek. Het is lastig te omschrijven wat er door me heen gaat, het voelt ambivalent. De samenzang zweept me op en ontroert me tegelijkertijd.


Ik geniet van de krachtige slagen op het drumstel. Gitaren, strijkers en blazers halen alles uit de kast en zetten de haren op mijn arm rechtovereind. Deze muzikale traktatie voor mijn oren nadert in mijn beleving bijna de genialiteit van het origineel.

Mijn favoriete gedeelte is wanneer het nummer met een verpletterende gitaarsolo en een orkestraal intermezzo het hoogtepunt bereikt. Als het koor versterking heeft gekregen en de zangeres al haar decibellen in de strijd gooit.

Ik hou het niet droog als de koorleden voor de laatste keer uithalen, de drummer hen en het orkest met een laatste slag tot zwijgen brengt en de zangeres a capella afsluit: … and she’s buying … her stairway … to heaven.

Op het lijf geschreven

26 april 2021

‘Castingbureau Fief en Ko, met Fief.’

Het blijft stil aan de andere kant.

‘Goedemorgen, waarmee kan ik u van dienst zijn?’

Een schorre stem antwoordt: ‘U spreekt met Koningin Maxima.’


‘Ja hoor, Inge, leuke grap. Waar blijf je met de versieringen? Over een paar uur komt het koninklijk gezin naar Eindhoven en we moeten alles nog doen.’


Ko komt naast me staan en met mijn hand over het spreekgedeelte fluister ik geïrriteerd: ‘Inge. Doet alsof ze de koningin is.’

Meteen gaat de deur open en een jonge vrouw komt binnen met haar armen vol vlaggetjes, slingers en ballonnen. ‘Ik ben er. Sorry, het was vreselijk druk in de stad.’ Inge.

Met grote ogen kijk ik naar Ko en vervolgens naar de hoorn in mijn hand.


De persoon aan de andere kant van de lijn schraapt haar keel. ‘Hallo, ik heb niet veel tijd!’

Het zweet breekt me uit. ‘Uh, neemt u me niet kwalijk, majesteit. Wat kan ik voor u doen?’ Ik zet het gesprek op de luidspreker.

‘We hebben gisteravond de verjaardag van Willem al gevierd en de laatste oranjebitter is niet goed gevallen. Ik zoek iemand die vandaag zijn plaats kan innemen.’

Ik zie dat Ko al druk zoekende is in ons bestand. Boven het scherm kijkt hij me aan en knikt. Zijn ogen sprankelen.

‘Majesteit, dat gaat lukken.’

De zucht van oplichting is duidelijk hoorbaar. ‘Fantastisch! Ik mail je de details van het programma voor deze dag. Uiteraard reken ik op je discretie.’


Ko laat me zien wie hij gevonden heeft. Ik krijg bijna een hartverzakking.

‘Dit is mijn kans, Fief. Ik moet alleen mijn baard iets rossiger maken.’


Klokslag elf uur zet ik de tv aan. Een klassieke DAF Kini rijdt de High Tech Campus op. Gezeten achter het stuur, naast prinses Amalia, speelt Ko de rol van zijn leven.

Zonnekracht

29 maart 2021

Ik hoor een fietsbel en door het raam zie ik mijn zus. Ik pak mijn fiets en begroet haar. We zijn door de dochters van mijn andere zus Huubke uitgenodigd om bij het uitstrooien van haar as aanwezig te zijn. Vandaag, tien jaar geleden, overleed ze aan borstkanker. Haar urn heeft al die tijd in een urnenmuur gestaan; haar meiden waren destijds nog te jong om een beslissing te nemen over wel of niet uitstrooien. Ze hebben nu samen een mooie plek uitgekozen.


De straffe wind maakt dat het kouder aanvoelt dan het in werkelijkheid is. Gelukkig hebben we allebei een fiets met ondersteuning en de wind deert ons niets, op de kou zijn we gekleed.

Teleurgesteld kijk ik omhoog naar de grijze lucht. Huubke had altijd een goede band met de zon. Als deze scheen, betekende het meer dan eens dat de uitslagen goed waren. Regenachtige dagen beloofden meestal niets goeds en vaak kwam dat ook uit. Mijn zus putte kracht uit de dagen dat de zon scheen. Haar ziekte bleek sterker.


Sinds haar overlijden heeft de zon voor mij ook meer betekenis gekregen. Op zonnige dagen voel ik haar nog dichter bij me. Zeker als ze schijnt op bijzondere dagen. Zoals bij het sluiten van de kist van mijn vader, twee jaar later op een regenachtige dag. Was het toeval dat ineens een krachtige zonnestraal door de wolken brak en op de kist viel?


Met een bosje zonnebloemen onder de snelbinders, Huubkes lievelingsbloemen, fietsen we naar het meer net buiten het dorp en we halen herinneringen op. Hoe ze gevochten heeft, hoe bijzonder de uitvaart was, hoe we haar allebei ervaren in de zonnestralen en hoezeer we haar nog steeds missen.

Ik kijk omhoog. ‘Jouw dochters hebben het een en ander geregeld voor jou vandaag, het zou fijn zijn als jij ook een steentje bij zou dragen.’

Het grijze wolkendek trekt zich er echter niets van aan.


We treffen onze nichtjes bij het meer. De oudste houdt de urn stevig vastgeklemd in haar armen.

De wind maakt dat we een plek aan de overkant moeten zoeken. Het is niet de bedoeling dat onze lieve zus in onze kleren weer mee teruggaat.

Als we vlak bij de plaats zijn waar we haar willen uitstrooien, zien we de wolken uiteendrijven en een stralende zon komt tevoorschijn.


Noem het toeval, ik noem het Huubke.

Het betere leven

23 maart 2021

Tevreden strijk ik een blonde lok achter mijn oren. De blik in de spiegel stelt me niet teleur. De plastisch chirurg sneed zeker twintig jaar van mijn leeftijd af. De ontsierende kraaienpootjes zijn verdwenen en de Cartier komt nu zoveel beter tot zijn recht boven mijn nieuwe decolleté.  Mijn volle lippen heb ik gecontourd en gestift in uitdagend roze. De mascara laat mijn wimpers nog langer lijken dan ze al zijn.

‘Meid, je mag er wezen.’ Ik geef mezelf een vette knipoog.


De ringtone van mijn telefoon onderbreekt het geflirt met mezelf.

‘Ariane, schat, hoe is het met je?’

‘Darling, ik wilde jou precies hetzelfde vragen. Heb je tijd voor een bubbeltje?’

‘Mais oui, bien sûre. Ik heb een lekkere champie koud staan.’

‘Ben ik met een half uurtje bij je.’

‘Helemaal top. Toodles.’


Een half uur. Dat geeft me tijd om nog snel wat lekkers bij de borrel te halen. Ik stap in mijn Jaguar en race naar de delicatessenzaak om de hoek. Bij Ariane kan ik tenslotte niet met een lullig borrelplankje voor de dag komen.

Voor de winkel is nog net een plaatsje vrij en manoeuvreer mijn bolide strak op zijn plek, het getoeter negerend van de wagen die het plekje ook zag. Loser.


Ik strijk mijn Versace glad en loop naar de winkel. Het getik van mijn Gucci’s is een genot om te horen.

Bij de ingang word ik door een vrouw met een zigeunerachtig voorkomen tegengehouden. Ze staat duidelijk aan de andere kant van de samenleving. Haar gezicht is gerimpeld, haar zwarte haren zitten vol klitten. De aftandse jurk en afgetrapte schoenen dragen ook niet echt bij. Om haar heen hangt een zoete geur. Ze biedt me een sample van iets aan. Ik negeer haar en ga de winkel binnen.


Tien minuten later loop ik met een volle tas lekkernijen weer naar buiten. De vrouw staat nu naast mijn auto. Ze reikt me opnieuw een sample aan.

‘For you, madam. Good for your soul. For free.’

Om van haar af te zijn, neem ik het aan. Ik ben tenslotte ook niet vies van gratis. Het is een blauw flesje met iets van een vloeistof erin. Waarschijnlijk zo’n goedkoop geurtje of iets dergelijks. Ik gooi het in de tas en wuif haar aan de kant. Nog een kwartier voor Ariane er is.


In de keuken laad ik de tas uit. Het water loopt me in de mond bij het zien van al het lekkers. Onder in de tas ligt het flesje dat ik van de vrouw kreeg. Het is niet veel groter dan vier centimeter, schat ik, met een zwarte dop. Het etiket op het flesje is in een taal dat ik niet kan lezen. Twee woorden vallen op: Roma en soul. Wat zei de vrouw? Good for your soul?

Het zonlicht dat door het raam naar binnen schijnt, geeft het blauw van het flesje een speciale gloed. Nieuwsgierig draai ik de dop eraf. Een zoete geur ontsnapt, de verschijning van de vrouw doemt bij me op. Het kan in de verste verte niet tippen aan mijn Chanel, maar het ruikt ook niet verkeerd. Ik breng het dichter bij mijn neus en ruik nog eens goed. De geur lijkt alsmaar zoeter te worden, bijna misselijkmakend. Ik draai de dop er weer op en gooi het flesje in de vuilnisbak. Nog vijf minuten.


In de gang loop ik naar de spiegel om mijn make-up te checken. Vol afgrijzen staar ik naar wat ik zie. Een verweerd gezicht, getekend door het leven en omlijst door zwarte krullen vol klitten kijkt me spottend aan. Mijn Versace ziet eruit als een vod. This can’t be happening! In paniek betast ik mijn gezicht. Wat zal Ariane …


De voordeurbel gaat.

Kaarslicht

16 maart 2021

Bij zijn eerste bezoek bekeek hij hoofdschuddend en met gefronste wenkbrauwen mijn huiskamer, hij tekende ruwe schetsen op zijn notitieblok en raadpleegde zijn tablet. Ik vreesde het ergste.

Mijn woonkamer is toe aan een opknapbeurt en van een vriendin kreeg ik het nummer van haar stylist.

‘Hij is een beetje vreemd, maar hij verricht wonderen,’ verzekerde ze me.


‘Wat denkt u?’ In gedachten zag ik een ingrijpende renovatie voor me.

‘Tja, hoe zal ik het zeggen,’ zei hij met een ernstige blik, ‘u hebt er goed aan gedaan mijn hulp in te roepen. Wat deze ruimte nodig heeft, is kaarslicht. Zeker in deze sombere tijd.’

Ik stond perplex. Kaarsen? De man vroeg goud voor een advies en het enige wat hij kon bedenken was kaarslicht?

Met de woorden van mijn vriendin in mijn achterhoofd stemde ik schoorvoetend toe.


Vandaag is het zover en om niet in de weg te lopen, ga ik met mijn vriendin shoppen.

Aan het einde van de dag keer ik terug naar huis, met een visioen voor ogen van honderden kaarsen in alle maten.

In de hal komt een penetrante verflucht me tegemoet, wat ik niet kan rijmen met het beeld in mijn hoofd. De stylist gaat me voor naar de woonkamer en in de deuropening blijf ik sprakeloos staan. De muren zijn geverfd en alles is gehuld in een vreemdsoortig oranje gloed. Mijn kamer oogt als een grote eierdooier, maar geen kaars te bekennen, niet eens een waxinelichtje.

Zelfvoldaan laat hij mij de kleurstaal zien: Kaarslicht.