Macht der wanhoop

In de verte klinken doffe dreunen. In het begin schrok ik van iedere knal, nu kijk ik niet eens meer op als de lamp schommelend zijn lichtstralen verspreidt. De stiltes die af en toe vallen zijn daarentegen oorverdovend. De dreiging die daar van uitgaat, voelt minstens zo onheilspellend. Zolang het donderen niet dichterbij komt, waan ik me veilig.

De lucht in de schuilkelder is bedompt, de geur van een laatste geïmproviseerde maaltijd hangt nog onder de gewelven en het ruikt naar mensen die al lang in een te kleine ruimte verblijven. Je neus wordt moe op den duur, zeggen ze, die van mij heeft helaas een groot uithoudingsvermogen.

Een paar dagen geleden zocht ik met mijn zoons hier beschutting. In de schuilkelder bevinden zich alleen vrouwen, kinderen en een paar oude mannen. De vloer is bedekt met slaapzakken, dekens en karton; van privacy is geen sprake meer. Het gebrek aan eigen ruimte en het op elkaar gepropt leven, maakt dat niet alleen de irritatie toeslaat, ook de wanhoop. In de hoek zit Natalya met haar paar maanden oud zoontje in haar armen. Ze wiegt en sust het, het kind is onrustig en jengelt. Een oude man twee slaapzakken verderop zucht overdreven. ‘Stop er wat in, dan houdt hij wel stil.’

Natalya draait haar rug naar hem toe. Ze probeert haar kind in slaap te zingen met een kinderliedje. Het lijkt te werken; de oogjes vallen dicht. Zijn lichtblauwe knuffeldoekje valt op de grond. Ze pakt het op en stop het in haar jaszak.

Helaas is de rust van korte duur. Mijn zoons lachen hard om een grap en het kind schrikt wakker. De oude man vloekt hardgrondig.

Mila, een van de vrouwen, staat op van haar slaapplek en loopt hink-stap-sprong over de andere bedden naar haar toe. ‘Geef hem maar even aan mij,’ zegt ze met uitgestoken armen. Natalya twijfelt, maar Mila laat zich niet afschepen. ‘Kun jij je benen even strekken of misschien wat rusten. Kristina heeft koffie.’ Ze kijkt mijn kant op, ik knik. Natalya geeft haar het huilende kind.

Ik schenk ondertussen koffie uit de thermoskan in een beker. Het is niet vers meer, maar het is nog warm en drinkbaar. ‘Kom hier even zitten,’ ik klop op mijn slaapzak, ‘dan praten we wat.’

Buiten lijkt de rust even te zijn wedergekeerd. Natalya hoort het ook en loopt naar de uitgang. ‘Waar ga je naartoe?’ Met een vreemde blik kijkt ze me aan. ‘Ik hou het hier niet meer vol. Dat gedreun, dit hol, ik moet hier weg.’

Aan de voet van de stenen trap draait ze haar hoofd naar haar zoontje die in de armen van Mila in slaap is gevallen. Voor ik haar tegen kan houden, snelt ze naar boven. Haar voetstappen klinken hol. Ik sta op om achter haar aan te gaan. Nog voor ik bij de trap ben, hoor ik een enorm gedonder. De vloer trilt, de lamp zwiept heen en weer. Trillend op mijn benen zet ik een stap naar achteren. Een flinke stofwolk daalt de trap af en ik snel naar mijn zoons die angstig in een hoek gekropen zijn. Mila drukt Natalya's kindje dichter tegen zich aan, de oudere vrouwen vouwen hun handen en prevelen een gebed, de oude mannen zwijgen.


Na wat een eeuwigheid leek te duren, houdt het gedonder op. Een man komt de trap afgestrompeld. Zijn kleren zijn gehavend en zijn gezicht is bebloed. Hij zoekt steun tegen de wand, in zijn hand zie ik een lichtblauw knuffeldoekje.

Recente blogposts

Alles weergeven

Ik kijk van de folder in mijn hand naar het krot voor me. Op een verweerd bordje naast de deur lees ik met moeite: “Zwaluw”, de naam die ook op het label staat dat aan de sleutel hangt. Bestemming ber

Zijn ogen lichten op en zijn mondhoeken krullen omhoog. Deze momenten van herkenning zijn zeldzaam, mijn hart maakt een sprong; hij heeft een goede dag. Ik loop naar hem toen en geef hem een dikke knu

Bij de vogelvoederplaats sta ik voor een raadsel. De paal waarop het bevestigd is, staat schuin, het huisje is een kwartslag gedraaid en het dak ligt eraf. Mijn hart gaat tekeer. Dat monster terrorise