Warme genegenheid

Een winters zonnetje schijnt op de veranda. Vannacht is er sneeuw gevallen en vanmorgen heeft hij met zijn baas een flinke wandeling door het bos gemaakt. Hij ligt nog helemaal na te genieten. Sneeuw is leuk. Een beetje koud, maar dat deert hem niet. Hij laat zijn kop op zijn poten rusten en luistert naar de vogels die in de boom druk met elkaar aan het discussiëren zijn.

Vanuit zijn ooghoek ziet hij haar dichterbij komen. Hij laat zijn kop op zijn poten rusten en volgt haar door de spleetjes van zijn ogen. Deze dame kent hij nog niet. Zeker nieuw in de buurt. Ze ziet er verwaarloosd uit, mager ook; persoonlijk houdt hij meer van het mollige type. Van het andere soort, wel te verstaan.

Haar zwarte vacht is niet zo mooi als van die blaaskaak hiernaast en ze loopt ook minder gracieus. Blijkbaar kan de sneeuw haar minder bekoren, bij elke stap schudt ze het witte spul van haar poten. Eens kijken hoe dicht bij deze kattenkop durft te komen.


Bij de trap blijft ze staan en neemt haar tijd om hem te observeren. Ze zag hem vanmorgen al met zijn baas op pad gaan. Hoewel ze niets van zijn soort moet hebben, had zijn verschijning haar geïntrigeerd. En zoals hij daar nu ligt: een stoer lijf markante kop, krachtige poten.

Wauw!

Meteen beseft ze dat ze dit hardop gezegd moet hebben, want hij opent zijn ogen en kijkt haar met zijn grote bruine ogen aan. Ze springt in de vluchtstand, maar iets in zijn ogen weerhoudt haar.


Zei ze wauw? Hij tilt zijn kop op en kijkt haar verbaasd aan. Hij staat nou niet bepaald bekend als de hotshot van de buurt. Zijn mondhoeken krullen omhoog.

Ze rilt. Waarom blijft ze daar in de sneeuw staan?

‘Dag schoonheid.’


Haar hart slaat over. Wat een mooie stem. Niet zoals ze gewend is van de meeste van zijn soortgenoten: opvliegend, nors en arrogant.

‘Hallo,’ reageert ze verlegen. Ze haalt vlug een poot over haar snoet.

‘Ik heb je nog niet eerder gezien.’

Ze draait haar kop naar het huis aan de overkant van de straat. ‘Sinds gisteren.’

‘Hoe heet je?’

‘Tja, eigenlijk heb ik geen naam.’

Verbaasd kijkt hij haar aan. ‘Natuurlijk wel. Wat zegt je baas dan tegen je?’

‘Nou, gewoon, Kat. Rotkat als ze kwaad is en als de fles leeg is, Kutkat.’

Hij hoort de pijn in haar stem en zijn hart huilt om haar. Zijn baas is zelden kwaad op hem.


‘En jij? Hoe noemen ze jou?’

‘Brutus, aangenaam.’

‘Wauw, stoer.’

De kou trekt verder in haar botten en verlangend kijkt ze naar zijn poten. Wat zou ze daar lekker warm kunnen liggen. Ze gaat op de eerste tree zitten. Daar is het in ieder geval droger.


‘Moes,’ zegt hij ineens.

‘Hè?’

‘Ik moet ineens aan de knuffel van mijn kleine baasje denken. Daar lijk je wel een beetje op. Ze sleept hem overal mee naar toe en noemt hem Moes.’

Er verschijnt een glans in haar ogen.

‘Wat een mooie naam.’

‘Oké, dan noem ik je voortaan Moes.’

Ze herhaalt de naam een paar keer zachtjes voor zichzelf en een warm gevoel doorstroomt haar koude lijf. Ze rilt, maar dit keer niet alleen van de kou.


Brutus schuift uitnodigend zijn voorpoten iets uit elkaar.

Hij ziet dat ze even verstijft, maar dan loopt ze op hem af en nestelt zich tussen zijn poten. De warmte van zijn lijf is zalig en ze begint uitbundig te spinnen.

‘Ik vind je lief, Brutus.’


Achter hen kijkt een drietal vertederd door het raam naar het tafereel op hun veranda.


Recente blogposts

Alles weergeven

Lief dagboek

Sinds een paar maanden ben je mijn trouwe vriend. In eerste instantie viel ik op je buitenkant. Je lag daar, pronkend met oogstrelende aquarellen op je kaft en maagdelijk witte bladzijden die erom vro

Niet zonder slag of stoot

Vier lange jaren, er leek geen einde aan te komen. Zijn reputatie was hem vooruitgesneld en hij heeft hem op alle fronten eer aangedaan. Tot op de laatste dag kan hij het niet laten om ons te kleinere

Rood met witte stippen

Bram, mijn ruwharige dwergteckel, kijkt me aan met een blik van ga-je-die-tak-nog-een-keer-weggooien-of-hoe-zit-het? Met een ferme zwier slinger ik de tak een eind weg en Bram trekt een sprint met zij