Zwerfkei

Miljoenen jaren maakte ik deel uit van een enorme massa. Ik zag dinosaurussen, mammoeten, sabeltijgers en wat al niet meer voorbijkomen. Ze verdwenen ook weer even zo snel. Meteorietinslagen en voorbijschuivende ijsmassa’s knaagden aan de massa, niets was zo destructief als de mensenhand. Eerst gingen ze aan de gang met beitels en hamers, toen dat niet snel genoeg ging, verzonnen ze staafjes met knetterende lontjes. Dat zette meer zoden aan de dijk. De massa slonk drastisch met elke explosie. De komst van elektriciteit maakte dat het nog sneller ging en op een dag was ik een van de vele brokstukken. Mijn reisavontuur was begonnen.


Ik belandde in een rivier en werd kilometers meegesleurd tot ik ergens in een rustig beekje tot rust kwam. De gestage stroom maakte mijn hoekige kanten vloeiender, zachter. Zo vierkant en hoekig als ik aankwam, zo rondgeslepen was ik toen ik voor de eerste keer uit het water werd gevist door twee kleine kinderhanden. ‘Kijk, papa.’ Ik was blijkbaar zwaarder dan het mensenkind had verwacht. Met de tong uit zijn mond toonde hij me aan zijn vader. Even kreeg ik de gelegenheid om de omgeving rondom het water te aanschouwen en voelde de bries over mijn natte lijf. Wat was het mooi. ‘Nee, Jonas, die is te groot. Gooi maar weer terug.’ Met een diepe zucht liet de jongen me met een enorme plons in het water vallen. Dat ritueel herhaalde zich keer op keer – grote handen, kleine handen. Ik kan niet zeggen hoe vaak ik in de afgelopen decennia ben opgepakt en teruggegooid in het water, iedere keer een stukje verderop. Steeds ving ik een nieuwe glimp op van de omgeving. Weer.


Tot die ene keer. Een grote hand plukte me uit het water, dat was ik wel gewend, maar deze kende wellicht zijn eigen kracht niet. Voor de zoveelste keer vloog ik door de lucht en miste op een veertje na een grote, zwarte kraai. Ik bereidde me voor op de zoveelste snoekduik, in plaats van de mij zo bekende rimpels zag ik echter alleen takken, gekleurde bladeren en aarde. Ik hield er rekening mee dat de landing dit keer niet zo spetterend zou zijn, het viel alleszins mee. De gevallen bladeren braken de val en stuiterend rolde ik nog een meter of wat verder. Ik was echter nog niet tot stilstand gekomen of ik zag de neus van een schoen op me afkomen. Ik hoorde gevloek en getier. ‘Hoe kon ze me dat godverdomme aandoen, teringwijf.’ Blijkbaar was het verbale niet voldoende en zocht hij een meer fysieke vorm van ontlading. Ik was voorhanden en moest het ontgelden. Niet één, niet twee, nee, wel vijf keer wist de schoen me te vinden. Tot de eigenaar bedaarde en me verder met rust liet.

Daar lig ik nu alweer een tijd, ergens langs een pad ver van waar ik ooit was. Het enige waar ik op kan rekenen, is het komen en gaan van de seizoenen. De ene keer ligt de rijp op mijn kop, dan komen de krokusjes naast me een kijkje boven de grond nemen, vervolgens voel ik een zinderende warmte om weer iets later met bladeren bedekt te worden of bekogeld met puntige kastanjebolsters. De kastanjes hebben meer geluk. Ze zijn blijkbaar gewild bij de mens. Mij negeren ze. Af en toe verrast een hond me met een gele douche of erger, door een stinkende hoop naast me te leggen. Meer sensatie is er niet en ik heb het hier wel gezien. Wat zou het fijn zijn weer eens verder te reizen, meer van de wereld te zien, al dan niet door de punt van een schoen die me verder schopt of een hand die me laat vliegen.

Recente blogposts

Alles weergeven

De hertenbiefstuk is overheerlijk. En die portsaus, om je vingers erbij af te likken. Gulzig neem ik een volgende hap, en nog een en … De laatste hap blijft steken in mijn keel. Met hoesten probeer i

De verhuisdozen zijn leeggehaald, de spullen hebben een nieuwe plek gekregen. Vertwijfeld kijk ik in de laatste doos die ik leeghaalde. Geen Teddy. Waar is mijn oude knuffel? Ik weet zeker dat ik hem

Ze streelt de hand van haar zoon, hij voelt nog warm. Het rijzen en dalen van zijn borstkas gaat vergezeld van een kakafonie van pieptonen uit de apparatuur langs zijn bed. In het begin werd ze er hor