Schrijven Online

20 oktober 2020

Rood met witte stippen

Bram, mijn ruwharige dwergteckel, kijkt me aan met een blik van ga-je-die-tak-nog-een-keer-weggooien-of-hoe-zit-het? Met een ferme zwier slinger ik de tak een eind weg en Bram trekt een sprint met zijn korte pootjes. Een paar tellen later laat een luid geblaf me weten dat hij de tak gevonden heeft, maar als eigenwijze teckel vertikt hij het om hem terug te brengen.

 

Zuchtend loop ik tussen de struiken door naar hem toe. De tak heeft hij laten liggen en hij doet nu verwoede pogingen om een konijnenhol aan een grotere ingang te helpen. Naast een omgevallen boom zie ik een groepje paddenstoelen staan; rood met witte stippen. Zachtjes neurie ik het kinderliedje uit mijn jeugd en met mijn telefoon maak ik foto’s van de kleine kunstwerkjes.

 

‘Verdorie!’ hoor ik ineens. Bram is nog steeds druk bezig met graven, zijn snuit en poten vol zand. Hij heeft niets in de gaten en verder er is niemand anders te bekennen.
‘Ja hoor, heb ik weer,’ klinkt het vanachter de boomstam, gevolgd door gekreun en gevloek. Ik ben toch niet gek aan het worden?

 

Terwijl Bram druk bezig is met het konijnenhol, valt mijn oog op iets wat op een klein rood puntmutsje lijkt, heen en weer bewegend boven de boomstam. Zo stil mogelijk, voor zover dat mogelijk is in een bos, loop ik ernaartoe.
Het mutsje komt omhoog en tot mijn grote verbazing zie ik een kabouter staan, compleet met wit baardje, blauw jasje en rood broekje. 

 

Dan zie ik waarom hij zich niet verbergt. Zijn voet zit verstrengeld in een klimop en hij probeert zich los te wurmen.
‘Wat sta je daar nou? Kun je me niet effe helpen?’ Hij trekt aan de klimop.
Aarzelend kniel ik bij het kleine mannetje neer. Een penetrante geur dringt in mijn neus.
‘Jeetje, wat een lucht!’ flap ik eruit.
Hij krijgt een rode kleur en giechelt: ‘Je mag het wel zeggen hoor, dat ik stink. Dat komt door die stinkzwam daar verderop. Ik schuurde mijn rug ertegenaan omdat ik zo’n jeuk had.’
Met ingehouden adem haal ik zijn voet uit de lus en hij klimt op de boomstam. Ik adem weer uit en ga naast hem zitten.

 

‘Je kent me niet meer, hè?’
‘Uh, nee, sorry.’ Ik moet mezelf even knijpen. Zit ik hier nu een gesprek te voeren met een kabouter?
Hij slaakt een diepe zucht. ‘Zo gaat het nou altijd met volwassenen. Ze verliezen hun fantasie, raken blind voor de wonderlijke wereld om hen heen en vergeten dat ze ons ooit hebben ontmoet.’
‘Hebben wij elkaar eerder gezien dan?’
‘Jazeker, je kwam hier vroeger altijd met je oma om blaadjes, kastanjes en eikels te rapen. Je oma bracht dan altijd iets lekkers voor me mee.’

Karamel,’ zeg ik uit het niets.
Er verschijnt een grote glimlach op het gezicht van de kabouter: ‘Ja, van die heerlijke zachte.’
‘Omhuld met chocola,’ vul ik aan. In gedachten zie ik mijn oma met een zakje zachte karameltoffees in haar handen.
Ik herinner me de kabouterverhalen die ze altijd vertelde en ineens realiseer ik me dat het geen verhalen waren, maar dat ik ze als zodanig heb opgeslagen.

 

Bram staat op en rekt zich uit. Het is tijd om weer naar huis te gaan.
‘Morgen breng ik toffees voor je mee.’

  • Wix Facebook page
  • LinkedIn Social Icon